Gambia.

Het is ergens in 2009 dat we besluiten naar Gambia af te reizen, op de bonnefooi, zoals we meestal doen.
De vliegreis is goedkoop en de lodge hebben we via internet gevonden, heerlijk gelegen op een steenworp afstand van de Atlantische Oceaan.
We worden door de gastvrouw persoonlijk opgehaald van het vliegveld van Banjul en komen in het donker aan bij de lodge.
We maken uitgebreid kennis met de gastvrouw, die oorspronkelijk uit Amsterdam komt en hier een nieuwe toekomst op wil bouwen. Bewonderenswaardig om dat in een land als Gambia te doen, daar denk je niet gauw aan.
Als we onze slaapplaats opzoeken en ons geïnstalleerd hebben vallen we in een diepe slaap, uiteindelijk is het een lange dag geworden.

De volgende dag staat we uitgerust weer op en begeven ons naar het ontbijt, wat wordt verzorgd door de Gambiaanse kok. Gelukkig spreekt de man Engels, er wordt ons een lekker ontbijtje voorgeschoteld en het smaakt voortreffelijk.

Er is op deze eerste dag, tot onze verassing, speciaal voor ons een boottocht georganiseerd, we gaan ook nog vissen, wie weet vangen we nog wat voor de avondmaaltijd.

Tot mijn verbazing ontmoet ik een bekende, althans, zij, Linda komt naar me toe, ”Ik ken jou, jij werkt toch in de brandbeveiliging?” Wat blijkt? Linda werkte bij een bedrijf waar ik regelmatig de brandbeveiliging controleerde. Nu woont ze in Gambia, wat is de wereld dan klein….

De volgende dag staan we vroeg op, na het ontbijt is het tijd om de omgeving rond de lodge te verkennen. We hebben het strand geheel voor onszelf, behoudens een enkeling die af en toe passeert, hebben we het rijk alleen. We zijn de enige gasten in de lodge en genieten van de rust die er heerst, verderop horen we het ruisen van de oceaan. En natuurlijk gaan we zwemmen, de temperatuur van het water is heerlijk en we genieten volop. Wel is de branding heel sterk mar dat mag de pret niet drukken, integendeel.
De dag vliegt dan ook om.

De volgende dagen verkennen we de omgeving, de lodge bevindt zich vlakbij GunJur, een bedrijvige vissersplaats
Dat is goed te ruiken en we kijken geboeid naar al die bedrijvigheid, naar de vissers die hun boten het

strand optrekken.

De vrouwen die de gevangen vis schoonmaken, de alom aanwezige meeuwen die een graatje mee willen pikken.
De tijd lijkt daar stil te staan, de boten worden met mankracht op ronde palen gezet,
waarna ze het strand worden opgetrokken, de aanwezige lier is niet in gebruik, dat kan ook niet, het ding is nooit bijgehouden en is veranderd in één bonk roest.
Het dorp zelf is een bonte verzameling hutten, kleine kinderen huppelen rond en we worden nieuwsgierig aangekeken, men is niet echt gewend aan toeristen, die verblijven grotendeels in de verderop gelegen resorts en komen, een enkeling uitgezonderd, niet naar Gunjur.

Vol verbazing kijken we naar het gekrioel en beseffen dat wij het wel heel erg goed hebben in ons kikkerlandje, hier moet men hard werken voor het bestaan.
Ondanks pogingen het leven te moderniseren houdt men hier vast aan de tradities, zo is er ooit een gebouw met diepvries ruimtes gebouwd, echter staat het gebouw er vervallen bij, het wordt dus niet eens gebruikt. De ooit gebouwde pompstations zijn nu in een vervallen staat.
We merken dat in de gehele vakantie, men geeft hier niet om moderniteiten, neem bijvoorbeeld het openbaar vervoer:

Het vervoer vind  plaats in oude Mercedes busjes, die je niet als zodanig herkent als je eenmaal plaats hebt genomen. 
De busjes worden van binnen helemaal gestript, wat overblijft is een kale vloer mat daarop houten bakjes geplaatst.

En als je denkt dat het busje vertrekt zodra je bent ingestapt, heb je het mis, dat gaat pas gebeuren als het busje vol zit, men kent geen dienstregeling daar in Gambia.
Betalen gaat al net als in de kerk, de chauffeur geeft een buidel door aan de eerste rij, eenieder dient zijn betaling daarin te deponeren.

Ook als je om 14.00u een taxi wilt, bel dan om 8 uur ’s morgens, met enig geluk heb je kans dat die er om 14.30 is om je op te pikken

Op een dag, na een goede nachtrust, willen we ontbijten, alleen is er geen brood, wat is het geval? De bakker is plotseling overleden.
Geen brood die dag, er moet eerst een andere bakker worden aangesteld, dat is snel gebeurd, de volgende dag wordt er weer brood geleverd.

De vrouwen lopen niet maar schrijden elegant, terwijl de jongere mannen niets te doen hebben en ”BobMarly” sigaretten roken.

Op een van onze wandelingen langs het strand horen we het geluid van djembés er zitten drie jongens en we raken aan de praat. Als ik vertel dat ik ook djembé speel word ik uitgenodigd om dat te laten horen. dan zit ik al gauw met een van de jongens te jammen.
Dat is het begin van een hele reeks van samen spelen, iedere dag komen de jongens, met hun vrienden naar de lodge om te jammen

Op een dag gaan we naar Serekunda, we willen wel wat meer zien van het land. Het is een vrij grote plaats en als ik een winkel ontdek waar ze djembés verkopen kan ik het niet laten om er een te pakken en te bespelen. Dat wekt de nieuwsgierigheid van de lokalen die vast denken: ‘daar heb je er weer een die denkt te kunnen spelen’ en ik begin dan ook heel stuntelig. Het levert me meewarige blikken op, tot ik steeds beter ga spelen. en dan zit er als snel iemand naast me met een djembé en zitten we op een gegeven moment met vier man het uiterste uit een djembé te halen.
Later zijn we met de jongens naar Gunjur gegaan, ik wilde graag een djembé aanschaffen en de maker had een wat kleinere staan en die heb ik gekocht. Ik koos hem wegens de bijzondere klank en ik heb er nog steeds plezier van. Ook de jongens speelden er graag op, juist vanwege de bijzondere klank.

Die is dan ook heel vaak bespeeld, bij de lodge stonden ze al te wachten tot we klaar waren met eten, om maar weer te kunnen jammen.

Maar we hebben meer gedaan, zoals een bezoek gebracht aan een museum, waar we ook een medicijnman zagen die desgewenst kon vertellen hoe oud je wordt, we hebben schooltjes bezocht, waar we potloden en papier hebben achtergelaten, daar waren ze heel blij mee,

We zagen een troebele vijver waar een krokodilzijn domicilie heeft. We bezochten de dikste en grootste boom in Gambia en de reptielenfarm, welke wordt geleid door een Fransman, hij heeft daar een bijzondere verzameling opgebouwd. De farm ligt tussen Gunjur en Kartong.

We hebben ook gegeten bij de jongens, dat gaat als volgt, we gaan met z’n allen naar het dorp, doen daar inkopen, die wij betalen, vervolgens gaan we naar hun verblijf, waarop zij gaan koken, terwijl wij van de avond genieten.
Dan is het eten klaar en wordt op een aparte plek het eten voor ons geserveerd en trekken de jongens zich terug.

Op een avond worden we uitgenodigd om een feest mee te maken en gaan we naar het dorp. Het is er een drukte van jewelste, we kunnen dan ook niet precies zien wat er gebeurt, in de verte zien we een illuster figuur met een puntige hoed op zijn hoofd, achteraf blijkt het om een of ander inwijdingsritueel te gaan, wat precies weten we niet, we krijgen er weinig van mee, maar het zou best eens om een besnijdenis kunnen gaan.

Na het feest worden we uitgenodigd bij een van de inwoners.

Later komen er nog twee gasten logeren, de tijd er na zijn we de enige gasten, we gaan gevieren ook nog naar Serekunda om souvenirs te kopen, je kunt het afdingen gerust aan de vrouw (ik weet haar naam niet meer) overlaten, zij weet er het onderste ut de kan te halen.

De avond, voor we weer naar huis gaan wordt er een afscheidsavond voor ons georganiseerd.